Niet Alleen – IV

Strijd

Onrustig schuifel ik heen en weer in de stoel. Mijn been doet zeer van de wandeling hiernaartoe. Ik ken hier niemand. Mensen bekijken me. Ik voel me opgelaten. Wat doe ik hier?

Dat kruis aan de muur. Tjongejonge, het kon zeker niet groter. Metaal met TL-licht er achter. Niet helemaal mijn idee van… van wat? Van… Wacht, ze beginnen. O help, ik moet gaan staan. Waar is m’n kruk. Oké. Fijn pianospel! We zingen. Ik kan vanuit deze hoek, links achterin de kerk, de tekst van de beamer-projectie niet lezen. Of misschien net. Ik doe m’n best. Nee, nog niet zitten. Er moet eerst nog wat gezegd worden.

Met aandacht en vol verwondering volg ik wat er gebeurt in De Schutse, de kerk in Appelscha, mijn woonplaats. Het gaat snel en de mensen zijn duidelijk gewend aan wat er allemaal gebeurt. Ik voel me wat opgelaten. Ik sta te laat, ook door mijn gekwetste been, en zit niet snel genoeg weer. Ik krijg onverwacht pepermunt van mijn buurvrouw. De predikant vertelt. Mooi! Collecte? Chips, ik heb geen cent op zak. En dan bidden we samen.

En daar zijn de tranen. Weer. Wat dan? Wat is er toch met me aan de hand? Ik breek echt en kan niet stil huilen. “Wat doe ik hier dan ook!” denk ik bozig. De buurvrouw van de pepermunt heeft ook papieren zakdoekjes in haar tas en reikt me er één aan. Dankbaar neem ik hem en druk hem tegen mijn gezicht. Onstopbaar huil ik. Ik voel geen verdriet. Ik voel geen angst of boosheid. Ik ben ongelofelijk diep geraakt door… Door wat dan? “Hé, herpak jezelf eens!” maan ik mezelf, maar er is geen houden aan. Iemand slaat haar arm om mij heen. Dat versterkt mijn huilbui alleen maar. Ik voel me helemaal openen en ik stort leeg.

De dienst is klaar. Ik zie een tweede deur de kerkzaal uit en sluip achterlangs en glip langs de mensen richting de glazen deuren naar buiten. Maar dat gaat niet onopgemerkt. Iemand tikt vanaf achteren op m’n schouder. Ik draai om en kijk recht in het licht verontruste en belangstellende gezicht van de predikant. “Hoe gaat het met u?” vraagt hij me. Mijn kop valt neer als ik antwoord “Dat weet ik niet.” De predikant houdt oogcontact door zowat onder me door te buigen, en hij vraagt “Wilt u praten? Heeft u behoefte aan een gesprek?” Dat weet ik eigenlijk ook niet. En ik mompel iets als “Nee, niet nodig. Bewaar uw aandacht maar voor uw gemeente.” En ik maak me uit de voeten. Mijn kruk tikt versneld op de stoeptegels. “Ik kan het niet alleen!” galmt het in mijn achterhoofd. De open, helpende hand schemert vanuit mijn herinnering op mijn netvlies, wanneer ik mijn ogen sluit. Waarom sla ik dan elke aangeboden hulp steeds weer af. Ik kan dit echt niet alleen. Al begrijp ik steeds minder van wat ‘dit’ is.

Thuis zoek ik een email-adres op van de predikant die mij vanmorgen op mijn schouder tikte. Ds. Janos Schellevis blijkt hij te zijn. Ik schrijf een berichtje. Aarzel. En stuur dan niet. Nog niet.

Tot dit moment had ik intensief contact via mail en WhatsApp met de beide predikanten die ik bij Nijkleaster in Jorwert had leren kennen. Zo intensief dat ik zelf ervoer dat het eigenlijk te gek was, maar ik kon me niet stil houden. Ik had een enorme, explosief onrustige honger naar kennis en inzicht en ervoer tegelijk een diepe angst in mijn manische activiteiten precies dat kwijt te raken wat ik als bijzonder waardevol was gaan ervaren: een religieuze bedding die mij vrij liet om mijzelf te zijn en mijzelf ten volle te ontwikkelen. Tegelijk had ik moeite gekregen om in mijn eigen traditie, als zen-boeddhistische non, actief verder te gaan waar ik gebleven was voor ik mijn been verbrijzelde. Voor ik in Jorwert kwam. Aarzelend en vol ongeloof moest ik mijzelf namelijk toegeven dat ik tot een Godsgeloof was gekomen. Ik, deze volhardende agnost? Hoe dan?

Ik kan dat er beslist niet bij gebruiken. Ik ben in training in een zenklooster en mijn hoop en verwachting is dat ik uiteindelijk leraar wordt, priester wellicht. Mijn eigen schooltje opricht, een tempeltje eventueel, en daar mijn toekomst mee vul. Dat is waar ik de afgelopen acht jaar aan gewerkt hebt. Dat, en mijn grootste drijfveer: de hoop op Verlichting. Wat moet ik dan met een Godsgeloof? Weet je wel hoe onhandig dat is in het boeddhisme?

Plots wil ik er niets meer van weten. Dat hele Nijkleaster, God, die predikanten, scheer je weg. Ik kan dit niet gebruiken in mijn leven. Je haalt te veel overhoop. Mijn toekomst gaat er aan als dit zo doorgaat. Ik scheer mijn hoofdhaar weer af tot op de huid en trek mijn monnikspakje aan tijdens de periode van de zomertraining in mijn klooster, al kan ik daar door mijn been nauwelijks komen of aan de programma’s meedoen.

Ik kan wel in Jorwert komen, waar ik dan ook regelmatig naartoe ga. Toch naar toe ga.

Op de bodem van mijn hart,
een Gedaante in diepzwart
gehuld, verborgen gelaat.
De armen slap langs het lichaam.
 
Ze kijkt op met gesloten ogen te groot 
voor Haar gezicht vol van leven en van dood,
als Ze mij aanvliegt en diep voelen laat
hoe het is zonder rang, zonder naam.
 
Vleugels kristal, zuiver en scherp,
rinkelend over mijn hoofd geschoren,
dwingen mij neer; ik laat los; Ze gaat heen,
 
nu ik zelf mijn zelf verwerp
en zo stilletjes word herboren
vanuit het duister schoon sereen.
 
Opstaand wanneer het zegenend Licht
de ogen opent in mijn gezicht.

Credits: eerder gepubliceerd op 1 maart 2019 op de site van Nijkleaster

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.