Niet Alleen – II

Uitgestoken Hand

Bezoek bracht Geert Maks boek mee naar Nij Dekama voor herlezing. Ik vloog door de teksten. Herkende namen zoals die levend waren in het verpleeghuis en gestorven lagen op het kerkhof, daar in Jorwerd. Eén van de sleutelfiguren van het boek had ik de afgelopen tijd af en toe met vriendelijke dwang en verleiding weer terug naar haar eigen gang gebracht, als ze weer eens ging rinnen. Lieve mooie vrouw, met een opgeruimd gemoed en met heldere ogen, maar het verstand liet volkomen verstek gaan.

De predikant die me eerder meenam naar Jorwerd, kwam met enige regelmaat langs in Nij Dekama. Ik observeerde en had eigenlijk wel behoefte om er nog eens heen te gaan. Maar waarom? Ik had het nu toch gezien? Wat zou ik daar gaan doen? Het Fries was ik maar matig machtig. Ik verstond de helft niet van wat er gebeurde in dat kerkje. Het christendom was niet mijn ding. Ik had sinds lang wantrouwen tegen mensen die er imaginaire vrienden op na hielden. Wat zou ik in die kerk gaan doen?

Behalve de aangename sfeer, de koelte en de mensen om me heen ervaren? Misschien is dat genoeg reden om er terug te keren. Toch? En ik miste het religieuze samenzijn nog steeds. Maakte ik mijzelf wijs. Iets trok me naar Jorwerd en ik begreep er maar weinig van. Toch gaf ik er aan toe. Hinne was bereid me opnieuw op te halen en naar Jorwerd te rijden. Ditmaal kon ik iets eenvoudiger in en uit de rolstoel komen en kleine stukjes lopen, met krukken. Hij zou me niet door het grint hoeven ploegen. Ik keek er naar uit. Om een andere reden dan de eerste keer dat ik naar de Redbadtsjerke ging. Ik kwam er nu niet voor het gebouw, maar voor wat er binnen gebeurde.

We waren er met de auto zo. Een ritje van een paar minuten. Hinne liep om de auto heen terwijl ik het portier opende. Hij stak me een helpende hand toe, die ik na een kort moment van nauwelijks bewuste overweging afwees. Hinne grijnsde vermaakt en constateerde “Aha, overgave is nog niet zo makkelijk.”

Ik zat nog in de auto. Een schel licht vlamde op tussen Hinne en mij in. Tegelijk om ons heen. En het was er ook niet. Ik werd bij mijn kleren gegrepen en half opgetild en door elkaar gerammeld. Hinne, de auto, die hand, mijn kapotte been… Niets was er nog. En tegelijk was alles op de meest eenvoudige manier aanwezig. Helder en me rakend tot het diepst van mijn wezen. Scherp tot precies in dat punt waar je zelf niet meer bent. Er passeerde geen tijd. Het was niet eens een moment. Tegelijk had het eeuwigheidswaarde.

Ik herpakte me vlug en stamelde iets terug als “Ja, dat is nog wel een dingetje.” Ik was aangeslagen, geschrokken, emotioneel. Wat gebeurde me nou dan? Gevoelens buitelden door elkaar en gedachten kregen zich niet tot hele zinnen gevormd. Nee, ik beeldde het me in. Er gebeurde niets. Reactie op de pijnstillers, misschien. Of op de nog altijd felle pijn zelf. Er was niets voorgevallen. Hinne had althans niets opgemerkt. Ik verbeeldde het me maar.

Huilend werd ik die nacht wakker. Beklemd, een gepijnigd hart, bang. Ik voelde me geslagen, verdrietig. Schaamde me rot voor wie ik was. En wist me even geen raad. Mijn hele wereldbeeld en mensbeeld lagen in scherven voor me en mijn zelfbeeld was radicaal overhoop gehaald. Ik greep in gedachten alsnog naar die uitgestoken hand, maar die was opgelost in de tijd. Ik voelde me helemaal alleen.

“Overgave. Overgave.” hamerde het op me neer. “Overgave. Overgave. Overgave.”

Credits: eerder gepubliceerd op 1 februari 2019 op de site van Nijkleaster

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.