Hoofdstuk 4 – fragment

uit: ‘Het Appartement’

Hij begint tegen de wind in te lopen. Het is laag water en schuim en zand jagen in lussen en langgerekte vegen over het platgeslagen zand van het nu brede strand schuin onder hem. Hij passeert de pier. Wind en water ravotten rond de pilaren die in een standvastige slagorde in de branding staan. Het hek van de toegang om de pier op te komen, is afgesloten  en de afsluiting ziet er redelijk permanent uit met roestige hekken en nog voor de hoofdingang geplaatst, rood-witte plastic linten die in fraaie, golvende bogen fluiten en klapperen in de wind, en een stevige ketting met hangslot. Nog even loopt hij verder, tot hij een beschutte plek vindt bij een gesloten koffietent. Achter glas zittend op een half vergane stoel diept hij zijn brood uit zijn tas. Water, ik had wat te drinken moeten meenemen, gaat door zijn hoofd. Hij zal met de drie Nieuwe die hij op zak heeft, niet erg veel kunnen kopen. Misschien een blikje cassis kopen zometeen ergens, bedenkt hij. De wind raakt nog net zijn kruin, maar dat deert Maurits niet. Wanneer hij zijn brood op heeft gegeten, pakt hij zijn schetsboek en zijn potlood. Hij tuurt de kustlijn af en kiest uiteindelijk toch voor de pier en dan met name de pilaren, met het rond om hen kolkende weer en water. In vlugge lijnen weet hij de vormen te vangen. Met arceringen en vegen en hier en daar dikke strepen zoekt hij naar de sfeer van de verlatenheid die om de pier hangt.

Een sfeer die goed past bij de huidige misère waarin de wereld zich bevindt. Sinds de oorlog begon, waarschijnlijk naar aanleiding van de Derde Golfoorlog, waar al gauw het hele Arabische schiereiland in betrokken werd inclusief de Emiraten, is dat de staat waarin de mensheid verkeert. In een ellendige onvrijheid en onwetendheid doet ieder zijn dingetje in wat lijkt op een redelijk comfortabel leventje. Men is de pilaren in de branding onder de wandelpromenade van de pier. Geen idee wat zich afspeelt aan de andere kant van het beton dat op hen rust. Uit schuwheid voor verandering staat men z’n mannetje, ieder voor zich, in het durende donker, in de storm, in het zoute schuim dat alles langzaam verteert. En ondertussen rot de pier erboven weg. Het is een verlaten leegte, gedragen door verrotting, gedragen door schouders van de gewone man die niet anders kan. Maurits schetst met een zwaar hart en pijn in zijn ziel. Dit zijn wij, denkt hij, naar het resultaat kijkend. Dit ben ik.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.