Mist

Het steile bruggetje houdt een tegenligger verborgen die aan de andere kant net als ik omhoog klimt. Als ik juist over de brug kan kijken, verschijnt haar hoofd ook net boven de rand. Onze ogen lachen naar elkaar. En op het hoogste stukje passeren we elkaar.

“Goeie.”
“Goeie.” Met wat moeite weerhoud ik Baruj ervan om zijn kleiïge poten tegen de jas van de vrouw te drukken.

Aan de andere kant van de brug gaat het weer steil naar beneden. Baruj is inmiddels los en hij rent de bocht om, naar rechts. Richting Baard. Dat lijkt mij prima. Een rondje Baard is zo’n vier kilometer. Het is al donker, van dat typische winterdonker. Er is geen noemenswaardige wind. De maan is driekwart vol en staat al hoog aan de lucht. Er is geen bewolking behalve aan de verre horizon in het Zuiden. De helderste sterren tekenen de melkweg in een grote boog over ons pad, al zijn door het maanlicht minder sterren te zien dan andere nachten.
Af en toe schieten er eenden en meerkoeten uit het riet naar de veilige overkant van de vaart. Opgeschrikt door het licht van het lampje aan Baruj’s tuig als hij afgaat op geuren en geluiden die voor de jachthond in hem onweerstaanbaar zijn.

Bij het viaduct over het fietspad en het water neem ik Baruj vast. Ik wil niet dat hij onverwacht de weg op struint en zal hem aan de andere kant van het viaduct weer loslaten. Baruj weet wat hij wil en hij trekt me met duidelijke voorkeur onder de weg door. Eenmaal de weg gepasseerd schittert Baard in de verte. De huizen en huisjes, de kerktoren, hun licht weerkaatst in het gladde oppervlak van de sloot en even verderop in de vaart.

Baruj is weer los en hij balanceert een bruggetje over waar een veerooster in zit gemonteerd. Op de smalle plank aan één zijde van het rooster is het voor hem altijd een beetje spannend met het water vlak bij, donker en in zijn beleving heus van relatief gevaar.
Ik neem het bruggetje ook voorzichtig. Het is er glad en viezig. Met mijn ogen volg ik Baruj. En even later alleen het lichtje aan zijn tuig. Ik hoor de auto’s achter mij langs, hun banden sissend op het aanhoudend natte asfalt. Ik hoor weide- en watervogels links en rechts van mij, vliegend, fluitend, roepend. Ergens ver klinkt de sirene van een brandweerwagen.

Dan zie ik hoe het silhouet van Baard verandert. De lichtjes helder bovenin en schemerig op ooghoogte. De wolkenmassa die langs de horizon leek te bewegen, schuift nu als een paar meter hoge mistlaag tussen mij en mijn wereld in. Geluiden verliezen hun scherpe kantjes. Ik zie vrijwel niets meer nu. Baard is helemaal opgenomen.

Ik kijk omhoog en staar een moment naar de maan. De sterren.

“Kom, Baruj.” en de hond volgt me nu ik me heb omgedraaid richting huis. Achter mij, nu voor mij uit, blijkt nog zalmroze licht van een verre zon te vlekken over een turquoise horizon. Elke stap die ik zet terug naar het viaduct wordt dat licht helderder. Terwijl ik behoedzaam mijn weg terugvind vanuit het verhullende niets, beginnen klokken te luiden. Zes uur. Eerst weet ik niet goed van welk dorp het geluid komt en dan besef ik dat ik door het gebeier omringd word.
Ik sla af, het viaduct op, met Baruj aan de lijn, en loop nu langs de provinciale weg terug naar mijn dorp. Het klokkengelui galmt weg. De mist komt soms in flarden over de hoger gelegen weg, maar bedekt hem niet.

Links blijft Baard volkomen verscholen. Het is er donker alsof daar nooit iets heeft bestaan.